Een donderwolkje

Soms heb je van die dagen. Van die heerlijke dagen waarop je vroeg opstaat en vervolgens tot een uur of elf ‘s ochtends in je pyjama op de bank dat boek ligt te lezen, dit na de lunch op het balkon in de zon voortzet en in diezelfde zon ‘s middags een wandeling maakt waarbij je gelijk even boodschappen doet. Zo’n dag waarop alles zo lekker ontspannen is dat je pas bij het openen van de voordeur bedenkt dat je helemaal niet langs de apotheek bent gelopen (ah, daarom was je dus zo snel terug!).

Op een andere dag zou er misschien een donderwolkje boven je hoofd zijn verschenen want verdorie, je fiets staat achterin de smalle garage, verstopt achter de brede auto van je vriend (die op dat moment ijverig de wasmachine aan het boenen is. Dan moet je prioriteiten stellen: een ultraschone wasmachine of fietsen?). Terwijl je shirt nog een beetje plakkerig is van de wandeling zucht je een keer diep en ga je weer naar buiten. En ach, waarom zou je niet even je moeder bellen om te vragen hoe het met haar gaat en zo al multitaskend de stad in lopen? Niets aan ‘t handje.

De vorige keer

Maar dan zie je het. Een grote donderwolk. Ver boven jouw hoofd, maar zwarter dan zwart. Gelijk denk ik terug aan mijn traumatische ervaring van twee weken geleden, toen ik net zo nietsvermoedend uit de supermarkt kwam gelopen. Nou goed, ik geef toe dat ik niet helemaal nietsvermoedend was, want ik had mijn wandeling en de boodschappen op Buienradar afgestemd. Ik keek op mijn horloge. Ik had nog een kwartier de tijd, dus die wolk zou vast wel wachten, dacht ik nog. En terwijl ik dat dacht voelde ik de eerste druppels. Uiteraard gebeurde dat net op het moment dat ik letterlijk aan de andere kant van de stad was en dus de hele stad door moest rennen om veilig thuis te komen. Dat is natuurlijk geen probleem als je een hardloper bent, maar dat ben ik dan weer net niet. Daarbij zul je net zien dat je op zo’n moment met een grote tas boodschappen loopt te zeulen (loeizwaar) en ook nog eens op slippers loopt die water opzuigen (lekker soppen) en een leuk, fleurig en vooral zwierig zomerjurkje (opwaaigevaar) aanhebt. Maar ik bleef optimistisch. Regen betekende niets, toch?

Nadenken was handig geweest

Ik was nog niet een kwart van de winkelstraat door (die wandeling kon wel wachten – nu kon ik in de winkels tenminste schuilen tegen het onheil) toen ik de eerste flits zag en meer vaart maakte. Godzijdank kwam de bus net aangereden en ik trok een sprintje (oh, dat kon ik dus tóch) om hijgend, haast op mijn knieën de buschauffeur bedankend (die man had immers zojuist mijn leven gered), mijn OV-chipkaart tevoorschijn te toveren. Opgelucht dat ik aan deze hel was ontsnapt ging ik zitten. En toen besefte ik het me: als ik uitstap, moet ik door een park lopen. Met bomen. En wat hebben we allemaal als kinderen al geleerd? Juist.

Rennen (dat kan ik dus wel als het moet)

Ik stapte uit, drukte herhaaldelijk op het knopje bij de verkeerslichten en trok met mijn nieuwverworven talent opnieuw een sprintje naar de overkant terwijl de tas met boodschappen (geen eieren gelukkig) op mijn rug bonkte, waar ik besloot om niet door het park te lopen, maar tussen de appartementen door. Bij iedere donderslag checkte ik even of ik het nog wel deed en niet geraakt was. Ik rende voor mijn leven, heb geen seconde aan dat zwierige jurkje gedacht (maar met stortregen die ongekend is en fikse flitsen en klappen was ik de enige ziel die nog buiten liep), kwam hyperventilerend thuis aan (en met alles doorweekt – gelukkig had ik die ochtend bedacht dat het enige jurkje dat ik niet zelf uit kan krijgen een verantwoorde fashionkeuze was) en deed gelijk alle ramen dicht (want de slaapkamer stond op het punt in een waterballet te veranderen. En sowieso, anders zou ik het alsnog niet overleven).

Ik kon omkeren

Ja, ik zag het alweer gebeuren en voor iemand met een onweerfobie is dat best een rampscenario. Ik kon nog omkeren, net zoals ik vorige keer tot een later moment had kunnen wachten in plaats van de deur uit gaan met slechts een kwartier speling. Maar ik ben eigenwijs, had een goede dag (dus het zou wel meevallen) en liep gewoon de stad in. Nu verwacht je dat ik ga vertellen dat er niets gebeurde. En onweren deed het inderdaad niet.

In de val

Maar misschien was dit nog wel vervelender. Terwijl die donkere wolk mij achtervolgde – en dat dus het enige was waar ik mee bezig was; ik wilde zo snel mogelijk naar de apotheek en terug – had ik niet gezien dat ik regelrecht in de val van een werver liep. En daar krijg je pas ècht een donderwolk van boven je hoofd. Hij ook trouwens, maar dan moet ‘ie maar naar me luisteren als ik roep dat ik geen interesse heb. Had ‘ie ook dat verhaal over elektronen, toekomstige energie (heeft ‘ie dan niet aangevoeld dat mijn toekomstige energie ook niet geïnteresseerd is met al die botsende elektronen tussen onze communicatie?) en dat de natuurkunde die ik geleerd heb geen echte natuurkunde is maar nep (?) achterwege kunnen laten terwijl hij een poging deed om mij te werven voor een ontwikkelingshulporganisatie. Een donderwolkje op een heerlijke dag die daarna weer verder ging met heerlijk zijn.

3 reacties op “Een donderwolkje

  1. Het voordeel van wervers tegenover telefonisch verkopers is dat je wervers een dreun kunt verkopen. Betekent overigens niet dat je dat moet doen, maar het feit dat het kán maakt wervers al een stuk minder irritant.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *